Moestuin

In 2017 heb ik goed nagedacht over de plek van de moestuin. Een beschutte plek, met veel zon. Aan de noordoostkant en noordwestkant beschut door het huis en de werkplaats en wat lager gelegen dan de rest van het erf. Dat maakt het makkelijker om er water (dat loopt zelf) en mest (een kruiwagen mest loopt ook makkelijker omlaag dan naar boven) naartoe te brengen.

De moestuin ligt vlak naast het huis, handig als je tijdens het koken nog even de tuin in wilt lopen om wat (kruiden, sla, nog een tomaat…) te plukken. Maar doordat hij wat lager ligt dan huis en erf kijk je er enigszins overheen. Dat is prima, want van april t/m augustus ziet de moestuin er heel mooi uit, maar van september t/m maart is het meestal een teringzooi, waar ik de strijd tegen het onkruid aan het verliezen ben of al verloren heb.

Ook met de aanleg van een regenwaterbassin heb ik (al zeg ik het zelf) heel optimaal gebruik gemaakt van het niveauverschil tussen huis en tuin. En stukje bij beetje heb ik rondom driekwart van de moestuin een zone gecreeerd voor de loopeenden die de moestuin behoeden voor slakkeninvasies. Alle functies zorgvuldig ten opzichte van elkaar gepositioneerd zodat ze elkaar versterken, helemaal volgens de regels van de permacultuur.

Dit alles netjes afgewerkt met beeldschone kastanjehouten hekjes. Kortom: een plaatje. Prachtig omlijst door het lover van de ‘Grote Eik’ en de ‘Jonge Eik’.

Maar.

Ieder jaar vecht ik tegen de droogte. En het lijkt wel of het ieder jaar erger wordt. Je zou verwachten dat de humusopbouw in de bodem maakt dat het steeds minder droogtegevoelig wordt. Maar ik giet me ’s zomers helemaal de blubber. En toch groeien mijn planten niet goed.

Daarom had ik dit jaar bedacht om eindelijk eens een goed watergeefsysteem aan te leggen. Met druppelslangen in ieder bed, gevoed door een dompelpomp in het regenwaterbassin via vaste leidingen die ik onder de paden zou ingraven. Eerst ging ik mijn licht opsteken bij de biologische tuinder in Noordwolde, die mij al van heel veel goed advies heeft voorzien.

“Kijk, hier moet je op letten, ik gebruik deze slangen, of deze. Maar eigenlijk alleen in de kas. In de volle grond geef ik eigenlijk vrijwel geen water.”

“Ja, raar hé?”, zei ik. “Op de één of andere manier is mijn grond altijd zo ontzettend droog. Ik snap er niets van.”

“Hmmm…
Heb je misschien een grote boom in de buurt van je tuin staan?”

Oh jee.

Dat heb ik zeker. Niet één, maar twee. Die twee prachtige eiken die de moestuin (en het erf) zo mooi omlijsten groeien natuurlijk niet alleen boven de grond. Daar zorgen ze soms ook wel voor iets te veel schaduw. Maar onder de grond zit net zoveel boom als erboven. Dat had ik kunnen weten.

“Ja hoor”, zei de tuinder. “Die haarwortels groeien zo je groentebedden in. Daar valt niet tegenop te bewateren. Kijk maar, hier aan deze kant van mijn kas is de grond kurkdroog. En dat terwijl die eiken daar er op 5 meter afstand vanaf liggen.”

Tja. Daar heeft hij natuurlijk volkomen gelijk in. Die éénjarige groenteplantjes leggen het altijd af tegen de slagkracht van een volwassen eik, bij dorstig weer. Zeker omdat ik normaal geproken zo min mogelijk spit (no-dig-methode, om het bodemleven te sparen. Maar dan spaar je dus ook die haarwortels).

Toen ik toch eens een verkennend gaatje groef kwam ik inderdaad heel veel onmiskenbare haar-boomwortels tegen. Geen wonder dat die bomen het nog steeds zo goed doen, ondanks al onze bouwactiviteiten.

Toen moest ik even een maandje uithuilen. Want dan zijn er vier opties:

  • de bomen omhakken (wat ik absoluut niet ga doen);
  • een heel diepe sleuf graven tussen de moestuin en de bomen (wat geen optie is omdat de bomen vlak naast de moestuin staan en dat dus eigenlijk hetzelfde is als ze omhakken, alleen omslachtiger, en wat bovendien elke paar jaar opnieuw zou moeten gebeuren en waar bovendien helemaal geen ruimte voor is);
  • ieder jaar heel diep de moestuinbedden omspitten en alle wortels eruit halen (wat veel te veel werk is en slecht voor het bodemleven en trouwens ook voor mijn rug);
  • de moestuin verplaatsen.

En eigenlijk is die laatste de enige reeële optie. Maar dat betekent ook: helemaal opnieuw beginnen. En waar dan? En hoe moet dat dan met de positie van de moestuin ten opzichte van de aangelegde regenwateropvangsystemen, en ten opzichte van het huis, de composthoop, de looppaden…? Hoe maak ik weer een anti-slakken-eendenzone, als er geen sloot in zit waar ze de helft van het jaar lekker in kunnen dobberen? En wat is dán een zinvolle invulling voor het stuk tussen de werkplaats, de sloot, de septic tank en de oprit?

Dus nu staat op mijn To Do Lijst ook: nieuw plan moestuin maken.

Daar zal wel weer een jaartje overheen gaan, en ik voorzie ook dat ik heel geleidelijk zal verhuizen, dus langzamerhand de ene moestuin aanleggen terwijl ik de andere verlaat. Maar eerst een goed plan maken…

Sneeuw!

Op de laatste ochtend van de kerstvakantie keken we opeens een witte wereld in!

Dat zorgt voor mooie plaatjes, maar ook voor extra werk. De schapen kunnen nauwelijks grazen, ik heb ze wat hooi in de wei gebracht.

De kippen weigeren pertinent hun hok uit te komen.

Toen ’s middags de zon even ging schijnen zorgde dat wel voor heel prachtige winterplaatjes!

Maar de volgende ochtend lag er nóg meer sneeuw…en toen moest Joris wel naar zijn werk. Ik heb de schapen na het melken maar even in de stal gelaten terwijl ik een rondje met het hondje liep.

Ook dat levert mooie plaatjes op, vooral de kronkelige silhouetten van de elzen komen prachtig uit zo.

Het bruggetje over de Linde en het uitzicht vanaf het bruggetje.

Maar nu kunnen de schapen helemaal niet meer bij het gras. Ze proberen wel wat sneeuw te eten. Maar weer hooi brengen dus. Veel extra werk…

Gelukkig is het binnen in huis heerlijk warm!

Tijdelijke voorzieningen…

Toen we in 2022 in het huis trokken waren de muren nog niet gestuukt. We legden wat oude vloerkleden en tapijttegels op de vloer als tijdelijke voorziening en beloofden onszelf een houten vloer als we klaar zouden zijn met de muren.

De buitenmuren hebben we in 2022 al geleemd. Maar het muurtje tussen de woonkamer en de keuken moet nog steeds. Dat is zoiets dat steeds blijft liggen, en langer duurt dan gepland. Komt ook doordat ik nog niet goed weet hoe ik het aan wil pakken.

En bovendien ging de kopse gevel van het huis erg werken. Tussen de staanders van het gebint en de gevel ontstond een enorme spleet, waardoor ook een stuk van de leemlaag afbrokkelde. Daarvoor wil ik ook nog een keer de stukadoorsspaan ter hand nemen.

Dus de twee verschillende (inmiddels enorm smerige) vloerkleden en twee verschillende soorten tapijttegels die bovendien niet eens de hele vloer bedekten lagen er vier jaar later nog altijd. En toen verkochten Joris’ ouders hun vakantiehuisje in Zeeland. Daarvan was de zolder belegd met donkerblauwe tapijttegels.

“Meenemen?” vroeg Joris. “Wel behoorlijk donker…”
“Mja,” appte ik terug. “Maar als het er genoeg zijn voor de hele kamer wordt het wel meer een eenheid. Dat kijkt misschien rustiger.”
“Oké, ik gooi de hele stapel wel in de bus.”

Dus hebben we op eerste Kerstdag blauwe tapijttegels gelegd in de woonkamer. Ze zijn inderdaad behoorlijk donker. En behoorlijk gemeleerd. (Dat laatste heeft dan weer als voordeel dat ze minder besmettelijk zijn dan het witte wollen kleed wat er jaren lag.) En donkerblauw is niet echt meer onze kleur, dus ze staan heel erg lelijk bij de bank en bij de tegels van de keuken.

Maar het is inderdaad meer een eenheid, de kamer lijkt er groter door (zij het met een zekere studentenkamer-vibe) en het vóélt ook rustiger. Aan je voeten. Omdat je niet meer telkens al die overgangen in vloerbedekking, en de randjes waar kleden over elkaar heen lagen, voelt.

De kerstboom (in loodzware speciekuip met aarde) bleek exact op de plek van één tegel te staan, dus toen die op 2 januari weg was kon Joris de laatste tegels leggen. Nu ook netjes om de pootjes van de boekenkast heen.

En zo hebben we nu kamerbreed studententapijt. Oppassen dat we er niet aan wennen. Een wijze buurman zei ooit “Niets is zo permanent als een tijdelijke oplossing!” Maar ik hoop nog steeds dat er vólgende winter een houten vloer ligt…

Boven verder (2)

Tussen alle overige werkzaamheden door heeft Joris verder getimmerd aan wat we “de nieuwe kamer” hebben gedoopt. Een wand tussen de technische ruimte en de nieuwe kamer, mét deuren.

En handgemaakte deuren, met glas in lood, voor zowel de nieuwe kamer als de studeerkamer.

We merken dat met de deuren opeens de warmte in de studeerkamer veel beter blijft hangen. Dat is prettig!

Aftimmeren van het schuine dak volgt nog. Net als de knieschotten en schuifdeurtjes. En de boekenplanken in de studeerkamer. En de leem op de muren.

Er blijft altijd wat te doen…

Stront scheppen

De schapenstal begon weer aardig vol te worden. En het is kerst’vakantie’. Vorig jaar hebben we ook met de kerst de stal leeg geschept. Blijkbaar is dat het ritme, met deze stal: één keer rond de kortste dag, en dan nog een keer eind april. In de winter vult de stal zich sneller, omdat de schapen er dan meer tijd in doorbrengen en er dus vaker opgestrooid moet worden. Zeker in de lammetjestijd zorg ik altijd voor een dikke laag schoon strooisel.

Dus het werd weer tijd voor de stal-workout. Stap één is niet de stal, maar ruimte maken in de composthoop. Vanuit de stal gaat de mest op een hoop, die ik met pallets op zijn plek houd. Na verloop van tijd zakt de mest behoorlijk in elkaar. Gelukkig maar, want ik heb die ruimte hard nodig om er tuinafval en de inhoud van de keukenafval-emmer bovenop te gooien.

Voor ik kan gaan uitmesten moet de hoop halfverteerde-mest-en-wat-minder-verteerd-tuinafval dus omgezet naar stadium twee van de compostering. Daarvoor gebruik ik oude aardappelkisten. Die kregen we in 2020 met de dakpannen die op het huis liggen. Er stonden nog jarenlang restanten in (eerst) drie (later twee, en tenslotte nog één) aardappelkist(en) op de achterweitjes, Op de stal en het kleine schuurtje hebben we vorig jaar en afgelopen voorjaar de (bijna) laatste pannen gelegd. De allerlaatste liggen nu op een stapeltje elders, dus ik heb drie kisten beschikbaar om composthopen in te maken. Gat in de zijkant, wat ik kan dichtstapelen met plankjes – perfect!

Die kisten had ik al grotendeels leeg gemaakt bij de aanleg van de border. Het omscheppen van het compostmateriaal is voor mij twee keer ruim een halve dag zwaar werk.

Sommige gedeelten zijn al bijna perfect verteerd, andere bevatten teveel zaagsel (koolstof) of zijn teveel uitgedroogd geweest om te verteren. En helemaal onderop is de mest zo in elkaar gedrukt dat er geen zuurstof beschikbaar was voor de vertering. Ik schep alles luchtig door elkaar en zorg ervoor dat het minst verteerde materiaal onderop komt te liggen, dat laagjes stikstofrijk- en koolstofrijk materiaal elkaar goed afwisselen en dat alles licht vochtig is (niet te nat, want dan ontstaat er methaan).

Tenslotte dek ik de hoop af met een dikke laag schapenwol, om de warmte van het verteringsproces vast te houden, en een laagjes landbouwplastic, om de vochtbalans goed te houden. Dat is over twee maanden perfecte compost voor de moestuin!

Mijn rug moet dan minimaal een dag bijkomen, daarna is het tijd voor de grote uitmest-dag! Dat doen we met ons tweeën, want anders lukt het niet in één dag. Schapen op tijd in de wei, en terwijl Joris de hond uitlaat begin ik vast met het strooisel wat nog enigszins droog is opzij te leggen. Gek genoeg is het aan de randen en in de hoeken eigenlijk nog prima te gebruiken. Maar in het midden is het echt verzadigd van mest en urine en flink in elkaar getrapt. Dat moet eruit; alles wat nog opnieuw gebruikt kan worden (toch wel ongeveer veertig procent!) leg ik tijdelijk opzij in het ‘werk’gedeelte van de stal.

En dan veertig centimeter natte mest afgraven en wegkruien. Fijn dat er nu een straatje is aan de buitenkant van de mestdeur! Ik zorg altijd voor veel zaagsel en/of vlas onderin de potstal. Dat bevat veel koolstof en neemt de urine op. Daardoor is het niet kletsnat en valt de ammoniaklucht mee. Al blijft het natuurlijk niet het meest welriekende klusje.

Als de stal leeg is (geen foto) gaat het her te gebruiken strooisel er weer in. Daaroverheen een laag vlas en zaagsel en dan wat schoon stro om de boel af te dekken. Aan het eind van de dag liggen de schapen weer dertig cm lager op lekker droog strooisel en is de compostbult vol. Na een paar dagen zie je de stoom er al uit opstijgen!